Toen Maria van Velzen vijftien jaar was, beweerde haar leraar Nederlands dat ze later vast en zeker schrijfster zou worden. Dat zei hij, omdat ze altijd prachtige opstellen schreef.
Maria vergat die opmerking en werd onderwijzeres. Ze merkte dat ze heel goed was in het vertellen van verhalen. Verhalen die ze vaak zelf verzon. Ze dacht er alleen niet aan om die op te schrijven. Dat vertellen ging door toen ze zelf kinderen kreeg. Maar alweer schreef ze die verhalen niet op. Misschien had ze het te druk, want ze was inmiddels journalist geworden. Een beroep waar ze ook veel moest schrijven, maar wel over de werkelijkheid. Een journalist mag natuurlijk niet zomaar iets verzinnen. Daarna werd ze gemeentevoorlichtster. Dat betekende alweer veel schrijven én vertellen. Maar ook hier gold de regel dat er niets verzonnen mocht worden. Dat kon wel toen ze om gezondheidsproblemen met haar werk moest stoppen.
Omdat ze opeens veel tijd had begon ze met het herlezen van haar oude kinderboeken. Iets waar ze erg van genoot. Tot haar eigen verrassing ging ze daarna zomaar kinderverhalen schrijven. Dat beviel zo dat ze er nooit meer mee is opgehouden. Er zijn inmiddels vijf boeken van haar verschenen.
Nienke is twaalf jaar en gaat samen met haar beste vriendin Lotte op meisjesvoetbal. De trainingen zijn zwaar maar leuk en de onzekere Nienke wint aan zelfvertrouwen ...
Tess’ vader houdt niet van poezen.
Haar moeder gelukkig wel. En Tess al helemaal.
Als de kat van opa’s buurvrouw jonkies krijgt, bezwijkt mamma voor die lieve kleintjes en mag Tess er een uitkiezen ...